Plichten van een gerechtsdeurwaarder

0

Naast een heleboel rechten, heeft een gerechtsdeurwaarder uiteraard ook plichten. Om te beginnen is hij verplicht om zijn  ambt uit te oefenen voor iedereen en voor elke taak waartoe hij wordt verzocht: een zaak weigeren is dus niet mogelijk. De onmogelijkheid voor de gerechtsdeurwaarder om te weigeren, is geregeld in artikel 517 van het Gerechtelijk Wetboek en wordt omschreven als de ministerieplicht. Onder de ministerieplicht vallen de taken die worden omschreven in artikel 516 van datzelfde Gerechtelijk Wetboek.

Buitengerechtelijke taken die niet worden omschreven in artikel 516, vallen niet onder de ministerieplicht. Dit zijn taken zoals juridisch advies, bijstand bij het opstellen van contractvoorwaarden, minnelijke invordering etc. Als gerechtsdeurwaarder heb je dus de vrije keus om dergelijke zaken al dan niet aan te nemen.

Waar je als gerechtsdeurwaarder géén vrije keuze in hebt, is in het optreden voor een bloed- of aanverwant. Dit is namelijk bij wet verboden. Dit verbod geldt voor de echtgeno(o)t(e), alle bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of die van de eega, tot en met de bloed- en aanverwanten in de zijlijn (tot in de 4e graad). “Handig ,we hebben een gerechtsdeurwaarder in de familie,” kan je dus wel vergeten.

Delen >

Laat weten wat jij vindt